De klant, wiens partner bij Aegon werkt, sluit in 2004 een Meeùs Universal Life Hypotheek van € 270.000 bij Aegon. Daaraan is een beleggingspolis verbonden met een garantiekapitaal van € 146.250. In de bijbehorende documentatie staat dat een rentewijziging als gevolg van het aflopen van de renteperiode - die is 20 jaar - gevolgen heeft voor de bijbehorende beleggingsrekening: "Wanneer het rentepercentage afwijkt van de ‘oude’ rente en de volledige premie wordt belegd op de Hypotheek Rekening, dan heeft dat gevolgen voor de hoogte van de premie. Een hogere hypotheekrente betekent een hogere vergoeding en dus lagere premies, een lagere hypotheekrente betekent hogere premies." In 2010 treedt de partner uit dienst bij Aegon. Daardoor vervalt de personeelskorting. De rente gaat omhoog, maar vanwege de fiscale bandbreedte-eisen mag de premie niet dalen. Het garantiekapitaal wordt daarom verhoogd tot € 163.494.
Klant voorziet problemen door lage rente
De man heeft in 2003 gesprekken gevoerd met zijn vrouw bij Meeùs. De verzekering zou meer dan het gegarandeerde bedrag kunnen opleveren, maar niet minder, zo is hem verteld. De man geeft aan dat hij geen risico wilde lopen. De adviseur heeft hem er alleen niet op gewezen dat het garantiekapitaal alleen gegarandeerd werd tijdens de rentevastperiode. Hij voorziet nu problemen: in 2024 loopt de rentevastperiode af en het ligt in de lijn der verwachting dat de nieuwe rente een stuk lager zal zijn. Hij vreest dus een veel hogere premie, anders wordt het garantiekapitaal niet gehaald, of een terugval in datzelfde garantiekapitaal. Hij dient een klacht in tegen Advitas, die als opvolgend adviseur fungeert vanwege de overname van een omvangrijke portefeuille in 2019. Als hij dit had geweten, had hij nooit de hypotheek op die manier gesloten, aldus de man. Hij claimt ruim € 32.000 schade: het verschil tussen de huidige inleg en de nieuwe inleg gedurende de resterende termijn na afloop van de rentevastperiode. Een klacht tegen Aegon trekt hij in.
Geen gespreksverslagen
Advitas heeft de gespreksverslagen uit 2003 niet meer. Maar uit de productinformatie had de klant kunnen afleiden hoe het product werkte, verweert de adviseur zich. Dat mag zo zijn, maar de toenmalige adviseur had de plicht om hem in niet mis te verstane bewoordingen te wijzen op het specifieke risico dat met het product verbonden is en dat zich nu aan het eind van de rentevastperiode dreigt te verwezenlijken: het risico van een (aanzienlijke) rentedaling, waardoor het eindkapitaal alleen nog te behalen is bij een aanmerkelijke verhoging van de verzekeringspremie, zo stelt de klant.
Keuze rentevastperiode bevestigd risicomijdend gedrag
De man heeft voldoende onderbouwd dat hij vertrouwd heeft op zijn toenmalige adviseur en dat hij geen enkel financieel risico wilde te lopen, vindt Kifid. "Dat dit zo is, blijkt uit het feit dat de consument de langstlopende rentevastperiode heeft gekozen. In dat geval had de adviseur de consument voldoende moeten waarschuwen dat bij wijziging van de rente na twintig jaar het zogenaamde garantiekapitaal minder zou kunnen worden." Omdat Advitas niet kan aantonen, bijvoorbeeld met aantekeningen uit het dossier, dat aan de zorgplicht is voldaan door de man op het risico te wijzen, is niet voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht van de adviseur: "De consument zijn immers geen aanknopingspunten geboden voor zijn bewijslevering." "Het verweer van Advitas dat zij op basis van de toepasselijke wettelijke bewaartermijnen niet gehouden was het dossier te bewaren, kan haar in dit verband niet baten. Het ligt immers op de weg van de adviseur adviesdossiers en gespreksverslagen, die zich in zijn domein bevinden, te bewaren voor tenminste de periode dat de hypotheek en de verzekering lopen om zodoende in kwesties als de onderhavige het leveren van bewijs van een zorgplichtschending (of de afwezigheid daarvan) te leveren."
Verjaring gaat niet op
De commissie gaat ervan uit dat de klant niet is ingelicht over de risico's: de zorgplicht is geschonden. Een beroep op verjaring gaat niet op: die termijn gaat pas lopen als de consument voldoende zekerheid heeft verkregen dat hij schade heeft geleden. "Pas op het moment dat de consument ermee bekend raakte dat een rentedaling consequenties zou hebben voor de garantiewaarde van zijn verzekering zou een verjaringstermijn zijn gaan lopen. Tot die tijd hoefde hij er niet zelfstandig rekening mee te houden dat Advitas in het kader van haar advies steken had laten vallen."
Vergoeding toekomstige schade
De schadeberekening van de klant wordt echter niet gevolgd: "Anders dan de consument stelt, kan de door hem geleden schade echter niet worden begroot op de voorzienbare terugval in de garantiewaarde. De consument is er immers juridisch toe gehouden zo mogelijk zijn schade te beperken. In dit geval bestaat voor hem de mogelijkheid de in te leggen premie te verhogen om zodoende toch het garantiekapitaal te bereiken. Het premieverschil tussen de situatie voor en na de rentedaling vormt in dat geval het uitgangspunt voor de schadevergoeding, zij het dat deze vergoeding ten dele gecompenseerd moet worden door de besparing die de consument realiseert in de vorm van uiteindelijk – na de hypotheekrenteaftrek – lagere termijnbetalingen over de hypothecaire geldlening." Maar een schade is er nog niet: die wordt pas in 2024 duidelijk. "Om die reden volstaat in dit kader een verklaring voor recht dat de adviseur zijn zorgplicht jegens de consument geschonden heeft en daarbij in beginsel gehouden is over te gaan tot het vergoeden van schade, voor zover die zich in de toekomst zal verwezenlijken."