Het ging bij deze zaak om een consument die in 2017 een rechtsbijstandverzekering bij Promovendum had afgesloten. De verzekeraar merkte gaandeweg dat de consument opvallend veel verzoeken om rechtsbijstand deed. In 2019 kreeg de consument dan ook een waarschuwing van Promovendum dat de hoogte van het aantal rechtsbijstandverzoeken wel eens aanleiding kon zijn om de verzekering te beëindigen. En het duurde niet lang of de verzekeraar beëindigde de verzekering dan ook.
Eerste behandeling
De consument diende daarop een klacht bij Kifid in. In 2021 heeft Kifid hier een uitspraak over gedaan. Kifid vond dat de verzekeraar de verzekering niet rechtsgeldig heeft beëindigd, omdat er in de voorwaarden die destijds waren opgenomen geen grondslag was opgenomen voor een tussentijdse beëindiging.
Promovendum herstelde de rechtsbijstandverzekering vervolgens weer. Een jaar later liet de verzekeraar de consument weten dat de voorwaarden zouden worden gewijzigd. Weer een jaar later liet Promovendum de consument weten dat de verzekering wederom werd opgezegd vanwege het grote aantal rechtsbijstandverzoeken van de consument dat jaar. Hierbij verwees de verzekeraar naar de nieuwe voorwaarden.
Tweede behandeling
Hier was de consument het weer niet mee eens en vorderde dat de rechtsbijstandverzekering weer ingesteld zou worden, en hij eiste bovendien dat de verzekeraar de proceskosten zou betalen. Deze zaak werd door Kifid op 26 juni 2024 behandeld. De uitspraak was dat de beëindiging van de rechtsbijstandverzekering door de verzekeraar niet rechtsgeldig is geweest.
Motivatie
Wat er ontbrak bij deze opzegging door Promovendum was dat een wijziging van voorwaarden binnen een redelijke termijn aan de consument had moeten worden meegedeeld, oordeelde Kifid. Een consument moet immers voldoende tijd krijgen zich op alternatieven te oriënteren. De tijd die Promovendum had genomen, een maand, was volgens de commissie te kort voor een redelijke heroriëntatie door de consument en daardoor niet redelijk. De eis om de verzekeraar de proceskosten te laten betalen, werd echter afgewezen. De consument had daarvoor onvoldoende argumenten aangevoerd.
Voor de volledige uitspraak zie Mondelinge uitspraak 2024-0640 (kifid.nl)