Nadat de consument op 25 maart 2011 letselschade oploopt door een verkeersongeval, doet hij een paar dagen later beroep op zijn rechtsbijstandverzekering. DAS neemt het verzoek in behandeling en voorziet het slachtoffer van rechtsbijstand bij het verhalen van de letselschade. In een brief van begin 2012 meldt de advocaat van de verzekerde dat zij het gehele dossier wil overnemen van DAS. Dit gebeurt en DAS vernietigt vervolgens het dossier halverwege april 2019.
In datzelfde jaar blijkt dat de eerdere advocaat plaats heeft moeten maken voor een andere advocaat die zich in een brief van 8 juli 2019 tot DAS wendt. In de brief stelt deze het volgende. “Als een procedure nodig mocht blijken, dan zal cliënt voor de kosten van de procedure een beroep doen op DAS. In dat geval kom ik bij u op de zaak terug.” In augustus stelt DAS dat het vorderingsrecht van de consument op grond van de rechtsbijstandverzekering door tijdsverloop is verjaard. Beide partijen worden het niet eens en gaan naar Kifid.
Recht op rechtsbijstand in natura vs recht op vergoeding advocaatkosten
De verzekerde meent dat de rechtsbijstandverzekering niet is verjaard, omdat er volgens hem een onderscheid moet worden gemaakt tussen het recht op rechtsbijstand in natura enerzijds en anderzijds het recht op vergoeding van advocaatkosten. De consument verwijst hiervoor naar een eerdere uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening. Daarnaast stelt het letselschadeslachtoffer onder verwijzing naar de verzekeringsvoorwaarden dat in deze situatie de gebeurtenis niet van belang is voor de verjaring maar het ontstaansmoment van de vordering.
Hierbij benadrukt hij dat niet de gebeurtenis maar de rechtsvordering - en in dit geval dus het moment dat een procedure moet worden gevoerd - aan verjaring onderhevig is. Op 8 juli 2019, het moment waarop de gemachtigde van de consument aanspraak maakte op de rechtsbijstandverzekering, was nog niet duidelijk of een procedure moest worden gevoerd. Het recht op vergoeding van advocaatkosten bestond op dat moment nog niet. Nu de consument geen aanspraak maakt op rechtsbijstand in natura maar op vergoeding van de advocaatkosten, is verjaring en stuiting daarom niet aan de orde. Daarnaast had de uitvoerder het dossier in 2012 volgens hem niet mogen sluiten omdat op het moment van de overdracht van het dossier voor de uitvoerder duidelijk was dat de behandeling van de letselschadezaak niet ten einde was. De gevolgen van het vernietigen van het dossier wil hij daarom verhalen op DAS. Deze vindt dat de aanspraak van de consument is verjaard en dat voor het aanvangsmoment van de verjaring geen onderscheid kan worden gemaakt tussen het recht op rechtsbijstand in natura en het recht op vergoeding van advocaatkosten.
Kifid: wél sprake van verjaring
Hoewel de eerdere uitspraak van Kifid lijkt uit te gaan van een onderscheid tussen het recht op rechtsbijstand in natura enerzijds en het recht op vergoeding van advocaatkosten anderzijds, is de commissie tot de conclusie gekomen dat dit onderscheid niet kan worden gemaakt. Uit de wet volgt immers dat onder uitkering ook een prestatie anders dan in geld kan worden verstaan, in dit geval rechtsbijstand in natura. Dat in een later stadium in een letselschadezaak een recht ontstaat op vergoeding van advocaatkosten bij een gerechtelijke procedure maakt niet dat het aanvangsmoment voor de verjaring verschuift naar dat latere moment.
De commissie vindt dan ook dat de verjaringstermijn is aangevangen op 25 maart 2011, de datum van het verkeersongeval. DAS heeft vervolgens uitgekeerd door de consument rechtsbijstand in natura te verlenen. Daarna is de rechtsbijstandverlening in natura op initiatief van de consument beëindigd doordat hij zelf een externe advocaat had ingeschakeld waarna het dossier per 6 maart 2012 door de uitvoerder is gesloten. Met de beëindiging van de rechtsbijstand in natura en het sluiten van het dossier op 6 maart 2012 is op grond van de wet een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen die, omdat de consument de verjaring niet heeft gestuit, op 6 maart 2015 is verstreken. Hieruit volgt dat op 8 juli 2019 de aanspraak op DAS was verjaard. De commissie wijst de vordering af in een niet-bindend advies.